Beginnen bij het begin...

Gepubliceerd op 18 januari 2021 om 11:06

Ik kwam te laat. Veel te laat. 16 dagen om precies te zijn. Als ik mopper op het feit dat 6 december een onmogelijke datum is om jarig te  zijn, antwoordt mijn moeder dat ik  dan maar niet 16 dagen te laat geboren had moeten worden. Ik was hun eerste kind en ze waren apetrots op me. Elk eerste hapje, eerste stapje en eerste woordje is vastgelegd in mijn babyboek met bijbehorende commentaren van allebei mijn ouders, waar niets dan liefde uit spreekt.

Ik groeide op in een warm en veilig nest in een dorp op de Veluwe als oudste kind en enige dochter. In eerste instantie in een gezin van drie, wat pas vele jaren later aangevuld zou worden met nog eens drie zonen.

En toch is mijn allereerste herinnering vrij traumatisch…

 

Het is stil in de auto. Als de buurman even snel omkijkt, zie ik iets op zijn gezicht wat ik niet begrijp. Mama houdt me vast en streelt mijn haar. Ik ben zo moe en het lukt me niet om mijn hoofd op te tillen. Mama’s eens zo witte jas heeft allemaal helderrode vlekken. Ik snap niet waarom ze die er op heeft gemaakt. Ik vond haar witte jas juist zo mooi.

Met piepende remmen komt de auto tot stilstand. Snel loopt de buurman om. Hij maakt het portier aan mama’s kant open. Voorzichtig word ik opgetild en een groot gebouw in gedragen. Overal witte jassen, grote ogen die naar mij en mama staren, handen die naar me grijpen. Ik wil niet. Ik ben bang. Waar is papa? Ik wil naar huis.

Mama gaat op een stoel zitten en ze leggen mij in haar armen, zoals mama mijn pop in mijn armen legt als we samen aan het spelen zijn. Ze slaat haar armen om me heen. Ze blijft me over mijn hoofd aaien en zegt me dat ik dapper ben. Nog meer witte jassen. Nog meer gezichten die me bang maken. Mensen voelen aan me, zeggen me dat ik mijn mond open moet doen, duwen vieze houten ijsstokjes naar binnen en mijn tong naar beneden. Ze praten met elkaar, maar ik begrijp niet wat ze zeggen. Dan komt er een grote, dikke mevrouw met een witte jas. Ze kijkt streng. Haar hoofd is grappig rood. Opnieuw de ijsstokjes in mijn mond. 

Iemand rijdt een grote kar dichterbij. Op de kar liggen allemaal dingen. Iets wat op een prikpen lijkt, waarmee ik op school prikwerkjes mag maken. Pincetten, zoals die waarmee mama de splinters uit mijn vingers haalt als ik papa heb geholpen in de schuur. Scharen, maar wel hele gekke. Zulke gekke scharen hebben we thuis niet. ‘Doe je mond open!’ snauwt de dikke mevrouw. Ik doe hem open, zo ver als ik kan. Ik ben bang, maar ik ben ook dapper. Ik weet dat mama voor me zorgt. Ze houdt me nog steeds stevig vast. De dikke mevrouw pakt iets van de grote kar. Het lijkt een beetje op een tang die papa in de schuur bewaart. ‘Doe je mond open!’ snauwt ze nog eens. Ik snap het niet. Ik heb mijn mond toch open? ‘Verder!’ roept ze. Ik doe mijn mond zó ver open dat het voelt alsof hij in de hoeken scheurt. Maar het is nog niet genoeg. Met haar dikke, vlezige vingers drukt ze mijn lippen nog verder uit elkaar en ze blijft maar roepen dat ik mijn mond niet ver genoeg open heb. De tang komt dichterbij. Ik voel de warmte die hij uitstraalt. Ik vind de tang eng. ‘Houd haar stevig vast’ hoor ik iemand zeggen. Ik snap niet wie ik vast moet houden.

Dan een allesverschroeiende pijn, achterin mijn keel. De stank van brandend vlees. Ik verzet me niet, want ik ben dapper. Mama’s armen stevig om me heen. Iemand anders die mijn armen vasthoudt. Nog een keer die pijn. Nog een keer ‘Doe je mond verder open!’. Ik doe mijn ogen dicht. Ik voel tranen prikken. Maar ik huil niet, want ik ben dapper.

  

Ik moet een jaar of drie zijn geweest. Het was het gevolg van een operatie waarbij mijn amandelen verwijderd werden. Pas veel later zou blijken dat er tussen deze gebeurtenis en mijn gezondheid een direct verband is, omdat mijn bloed langzamer stolt dan bij gezonde mensen. Maar ten tijde van deze operatie was dat nog niet bekend en toen ik eenmaal thuis was, ging de wond weer open en hoestte ik bloed op. Veel bloed.

 

Nadat mijn eerste twee broertjes waren geboren, kreeg mijn moeder in de gaten dat mijn ontwikkeling anders liep dan die van hen. Mijn broers hielden van alles wat actief was en hoewel ik tot op zeker niveau graag met hen meedeed, zat ik ook erg graag met een boek in een hoek. Mijn broers hadden energie voor 10, maar ik leek sneller vermoeid. Ik klaagde over hoofdpijn en had het snel koud. En daar waar mijn broers de gebruikelijke kindergriepjes snel te boven waren, leken ze bij mij hardnekkiger en duurden ze langer.

Keer op keer ging mijn moeder met mij naar de huisarts. Keer op keer werd ze naar huis gestuurd met geruststellende woorden voor haar en een flinke dosis antibiotica voor mij. 

Ik was een gezellig en aanwezig kind en aan de buitenkant was voor de onoplettende kijker niets aan mij te zien. ‘Overbezorgde moeder’ was dan ook de conclusie van de artsen, nadat mijn moeder voor de zoveelste keer bij hen had aangeklopt. Ze zeiden dat het wel goed zou komen. Dat ik er wel overheen zou groeien. Maar toen ik opnieuw naar de kinderarts in het ziekenhuis werd doorverwezen, had hij nog een laatste optie. Er zou binnenkort een kindercardioloog vanuit Amsterdam naar het plaatselijke ziekenhuis komen en hij wilde me graag door hem laten onderzoeken. Als die kindercardioloog niets kon vinden, dan wist de kinderarts het ook niet meer.

En zo geschiedde…

Ik was acht jaar oud en vond de dokter maar een rare man omdat hij een gebit had met gele tanden die ook nog eens schots en scheef stonden. De arts bekeek en beluisterde me met een geoefend oog. Hij zag mijn handen en nagels, die zo kenmerkend zijn voor kinderen met een aangeboren hartafwijking. En hij beluisterde mijn hart. En daar hoorde hij wat alleen met een zeer geoefend oor te horen was: het ruisen van mijn bloed door een gat wat er niet hoort te zijn. En omdat hij het ergste vreesde, nodigde hij mij en mijn ouders uit om naar het ziekenhuis in Amsterdam te komen voor nader onderzoek.


 »

Reactie plaatsen

Reacties

Eva
een jaar geleden

wat heftig Moniek... xx