Paniekaanvallen

Gepubliceerd op 22 november 2021 om 08:00

Ik begon paniekaanvallen te krijgen toen ik 19 was. Ik wist alleen niet dat het paniekaanvallen waren. In die tijd werd er nog nauwelijks aandacht besteed aan angststoornissen. Bovendien was het voor mij lastig om mijn klachten duidelijk te omschrijven. En de ellende met een zeldzame ziekte als Eisenmenger is dat alles wat een arts niet begrijpt al vrij snel weggewuifd wordt met 'zal wel bij de Eisenmenger horen'.

Mijn paniekaanvallen begonnen vlak na een vervelende ervaring in het ziekenhuis. Omdat mijn ziekte zo zeldzaam is ben ik een interessant onderzoeksobject. En omdat ik het belangrijk vind dat mensen met aangeboren hartafwijkingen de best mogelijke zorg krijgen, zei ik eigenlijk altijd 'ja' als me gevraagd werd om weer aan een onderzoek mee te werken. Maar dit onderzoek begon al gelijk onrustig. De artsen waren lang aan het hannesen voor ze alles voor elkaar hadden. Omdat ik lang in de MRI zou moeten liggen had ik mijn moeder meegenomen die aan mijn hoofdeinde zat om me gerust te stellen, voor me te bidden en me door het onderzoek heen te slepen. Maar zij voelde zich niet prettig bij de hele gang van zaken, werd er onrustig van en vroeg de artsen na een tijdje om mij uit de MRI te halen om te controleren of alles wel goed ging.

Ik ben dankbaar dat God moeders heeft uitgerust met een moederinstinct wat hen waarschuwt als er iets niet in orde is. De artsen haalden me zeer tegen hun zin weer uit de MRI-scanner om er tot hun ontzetting achter de komen dat mijn infuus niet goed aangesloten was en in een behoorlijk tempo bloed lekte. Als de artsen niet naar mijn moeder hadden geluisterd, was het waarschijnlijk een stuk vervelender afgelopen.

Na het infuus goed aangesloten te hebben, zetten ze het onderzoek voort. Maar het was een naar onderzoek, waarbij ze een middel inspoten waardoor mijn hart zonder inspanning veel sneller zou gaan kloppen. Ik sloeg me er dapper doorheen, maar besloot daarna wel dat dit voor het laatst was dat ik aan een dergelijk onderzoek mee zou werken. Ik begrijp dat er meer onderzoek nodig is naar zeldzame ziektes, maar de prijs die ik voor dit onderzoek moest betalen was te hoog.

Eenmaal thuis ging het een tijdje goed, al viel het me wel op dat mijn hart sinds het onderzoek zo af en toe een vlinderbeweging maakte in mijn borstkas. Ik vond het een grappig gevoel, maakte me er niet druk om en bleef doen wat ik altijd deed. Tot ik op een avond bek- en bekaf in mijn bedje lag.

Eén van mijn oren functioneert niet zoals het zou moeten. Ik hoor er aanzienlijk slechter mee. Daar valt op zich prima mee te leven, maar als ik erg moe ben, mijn hart het zwaar heeft en ik op mijn goede oor lig, hoor ik iedere hartslag door dat slechte oor extra goed...en dat is niet zo fijn. Sinds het onderzoek was ik een beetje angstig geworden voor het harde bonken van mijn hart. En juist als ik extra moe ben, bonkt hij extra hard. En terwijl ik daar op een avond naar lag te luisteren, begon mijn hart ineens weer te ‘vlinderen’ en hoorde ik tot mijn ontzetting wat er gebeurde wanneer ik dat voelde. Bij iedere vlinderslag sloeg mijn hart een slag over om vervolgens met een snelle roffel weer op gang te komen. Die overslagen duurden soms angstwekkend lang. En hoe meer ingespannen ik naar het slaan van mijn hart ging luisteren, hoe vaker hij oversloeg. 

Ik werd bang. Want als mijn hart één slag oversloeg, wie garandeerde mij dan dat het niet per ongeluk een heleboel slagen over zou gaan slaan? Wie garandeerde mij dan dat ik morgen überhaupt nog wakker zou worden? Ik lag de hele nacht wakker, angstvallig luisterend naar mijn hartslag. Mijn hele lijf begon te tintelen van de spanning en uiteindelijk raakte ik helemaal overstuur.

En zo begon het…

Vanaf dat moment begon ik me iedere ochtend, na een hele slechte nachtrust, alweer zorgen te maken over de nacht die voor me lag. Ik werd steeds banger om te gaan slapen, hield mijn lichten aan en zette de tv aan voor afleiding. Op een nacht was ik zelfs zó bang dat ik bij mijn ouders in bed kroop en daar uitgeput in slaap viel. Maar niets hielp écht. Zo af en toe maakte ik van pure uitputting een goede nacht tussendoor, waarna ik weer even hoop had, maar die vervloog vaak ook weer snel.

Onderzoeken volgden, waaruit bleek dat ik last had van hartkloppingen. Heel vervelend en vermoeiend, maar verder onschuldig. Mijn klachten waren verder heel atypisch, dus de huisarts kon er niets mee en stuurde me zonder diagnose naar huis.

En zo worstelde ik me jarenlang de nachten door. Toen mijn lief en ik eenmaal getrouwd waren heeft hij me nachtenlang huilend in zijn armen gehouden, biddend voor mij. Hij maakte zelfs speciaal voor mij een liedje waarvan we de tekst op mijn nachtkastje zetten: ‘You don’t have to be afraid in the dark, ‘cause there are angels watching over you.’ Ik wist het allemaal zo goed! Ik wist dat God voor me zorgde. Ik wist dat ik niet bang hoefde te zijn. Ik wist dat ik nu al talloze moeilijke nachten tóch overleefd had, dus dat de kans dat ik de nacht die voor me zou liggen zou overleven ook heel groot zou zijn. En ook al zou dat niet zo zijn, dan wist ik dat ik naar Huis zou gaan en dat dan alles goed zou zijn. Maar hoe ik ook logisch redeneerde, hoe we ook baden, hoeveel voorzorgsmaatregelen we ook namen, niets hielp. Ik heb het uitgeschreeuwd naar God: Waarom?! Waarom greep Hij niet in? Waarom moest ik hier doorheen? Was mijn leven dan niet al moeilijk genoeg zonder deze hele ellende? Was ik zonder die doorwaakte en doorvochten nachten niet al moe genoeg? Ik begreep er helemaal niets meer van.

Ik geloof dat God me al die tijd hoorde. Ik geloof dat Hij achter de schermen aan het werk was. Dat geloofde ik destijds ook. Maar het was moeilijk om in een liefdevolle God te blijven geloven als het leven zó moeilijk was.

Uiteindelijk, na jaren worstelen en bidden, kwam er heel langzaam een keer in mijn angsten. Het begon met een les psychiatrie tijdens mijn opleiding Maatschappelijk Werk. Voor we aan deze lessenreeks begonnen, waren we gewaarschuwd door de docent. ‘Jullie gaan nu een heleboel ziektebeelden behandelen en bij elk ziektebeeld zul je een aantal dingen van jezelf herkennen. Wees gerust, dat heeft iedereen. Je kunt er vanuit gaan dat jij echt dat ziektebeeld niet hebt.’ 

Ik vond het een heel interessant vak en ging er met veel plezier naartoe. Tot we op een dag de angststoornis behandelden in de klas. En het was alsof er een raam open ging! Dit ging over mij! Al die gekke fratsen, het proberen te vermijden van angstige situaties (wat in mijn geval Godzijdank toch redelijk onmogelijk was, want slapen moet je nou eenmaal toch), de hele dag in angst zitten, de angst om de angst en niet eens meer zozeer voor iets reëels, maar gewoon bang om weer bang te worden...dit ging over mij! Eindelijk wist ik wat ik had en wat er mis was met mij. Ik had niets fysieks, ik had iets psychisch en het was werkelijk totaal ongevaarlijk, maar wel heel vervelend!

Ik verdiepte me meer in de angststoornis. Een aantal symptomen herkende ik maar al te goed. Allesoverheersende paniek, onbeheersbare emoties, de angst om dood te gaan, tintelingen, zweten, hartkloppingen. Een aantal symptomen die ik had stonden ook niet in het lijstje, maar waren kennelijk gewoon een uiting die er bij mij bij hoorden. En door steeds meer kennis op te doen, veranderde er heel langzaam iets bij mij. Ik kon steeds makkelijker de knop omzetten. Dingen denken als: ‘Ik voel nu wel de angst opkomen, maar die slaat nergens op, dus ik mag hem negeren’ of ‘Hallo angst, ben je daar weer? Nou, kom maar op dan!’ en juist die gedachten hielpen me om de angst van zijn angel te ontdoen. Ik leerde om op mijn ademhaling te letten. Drie tellen inademen, zes tellen uit, handen op de buik. Ik leerde mezelf afleiden door liedjes te gaan zingen in mijn hoofd (de grote favoriet is good old: ‘De Heer is mijn licht, is mijn licht en is mijn heil, wat vrees ik nog?') en ik leerde dat ik gedij op regelmaat. Op vaste tijdstippen opstaan, hoe slecht mijn nacht ook is, op vaste tijdstippen naar bed, middagdutje niet te laat, gezond en op vaste tijden eten, geen drukte om me heen ‘s avonds. En langzaam, heel langzaam nam de angststoornis in hevigheid af, tot hij uiteindelijk na jaren vechten en na een gebed van de oudsten uit onze toenmalige kerk zo goed als volledig verdween.

Maar angst blijft wel een trigger bij me. Als ik niet goed voor mezelf zorg, als ik teveel op mijn bordje heb, als ik gestrest ben; dan voel ik weer dat het op de loer ligt en soms ook een flinke poging doet om me weer te pakken te krijgen. Dan gaat mijn hart weer overslaan, gaan delen van mijn lichaam weer tintelen of merk ik dat ik mijn ademhaling niet rustig krijg. Dan weet ik dat ik op de rem moet gaan trappen, omdat het anders van kwaad tot erger gaat.

Angst is iets ongrijpbaars. Als je nooit zelf een angststoornis hebt gehad, is het niet te begrijpen. Voor ik mijn angststoornis ontwikkelde zou ik gedacht hebben: ‘Kom op, stel je niet zo aan. Er is niets aan de hand´. Of ik zou iemand een denkbeeldige schop onder de kont hebben verkocht. Nu weet ik dat het zo eenvoudig niet ligt. Het heeft me empathischer gemaakt en meer begrip gegeven voor mensen met een angststoornis. En het heeft er ook voor gezorgd dat ik nu, jaren later, regelmatig mensen met een angststoornis ontmoet met wie ik een stukje op mag lopen. Die ik adviezen kan geven en waar ik een arm omheen kan slaan, juist omdat ik het zelf heb meegemaakt en weet dat het nog steeds een valkuil voor me is. Ik zou willen dat ik het nooit had meegemaakt. Ik zou willen dat ik nooit meer hoef te vechten tegen angst. Angst is écht ellende! Het had me zoveel verdriet en vragen gescheeld. Maar nu het toch zo is, ben ik dankbaar dat ik mijn kennis en ervaring in kan zetten om anderen in dezelfde omstandigheden te helpen. En dat het me heeft geleerd om mijn eigen lijf beter te begrijpen en sneller (nou ja...heel iets) op de rem te trappen. 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

lucia
7 maanden geleden

Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden en de God van alle vertroosting, Die ons troost in al onze verdrukking, zodat wij hen kunnen troosten die in allerlei verdrukking zijn, met de vertroosting waarmee wij zelf door God getroost worden.
2 Korinthe 1:3‭-‬4 HSV
Moest aan deze tekst denken bij je verhaal... Zo mooi dat je de ander kunt helpen omdat je zelf door dezelfde moeilijkheden bent gegaan! Dat is werkelijk leven wat Rom 8:28 zegt.

Moniek
7 maanden geleden

Wat lief! Dankjewel!