Verhaaltjes uit mijn kleine leven
Soms poppen er zomaar ineens kleine verhaaltjes op in mijn hoofd. Over grappige, ontroerende of tot nadenken stemmende dingen die ik meemaak. Die verhaaltjes vinden hieronder hun uitweg.

Lego
Kwart over acht in de avond. Na een lange dag zit ik aan tafel een bos bloemen van Lego in elkaar te zetten.
Mijn telefoon gaat. Een jonge vrouw uit onze gemeente belt. 'Oh gelukkig, je bent nog wakker. Ik was een beetje bang dat je misschien al op bed zou liggen en dat ik je wakker zou bellen.' Om haar gerust te stellen zeg ik: 'Nee hoor, ik zit nog lekker te Lego'en.' Wat volgt is een pastoraal gesprekje met wat lieve woorden en bemoedigingen, zoals ik die wel vaker heb.
Pas wanneer het gesprek allang beëindigd is denk ik: 'Mmmm, als ik als twintiger een vrouw van middelbare leeftijd had gebeld voor een bemoedigend woord en had gehoord dat ze lekker zat te Lego'en, had ik toch even mijn wenkbrauwen opgetrokken.'
Ach...gelukkig heb ik nooit gepretendeerd 'normaal' te zijn...

Als kind zat ik op een klein schooltje gelegen in het boerenlandschap van de Veluwe. Maar in de weekenden gingen we regelmatig naar mijn grootouders in de Achterhoek. Ze woonden vlakbij de grens met Duitsland en zo af en toe namen mijn opa en oma me mee om even in Duitsland te tanken of wat boodschappen te doen.
Ik scoorde daar hoge ogen mee tijdens het kringgesprek op maandagochtend. Het waren de jaren '80 en het buitenland was nog iets exotisch. Zelfs landen als België en Duitsland spraken tot de verbeelding. Zeker bij veel van mijn klasgenoten die vanwege het werk van hun ouders op de boerderij nooit op vakantie gingen of dicht bij huis bleven.
Op een dag was ik weer bij mijn grootouders. Mijn opa had kennelijk meegekregen dat ik het erg leuk vond om op een doorsnee maandag te kunnen vertellen dat ik dat weekend naar Duitsland geweest was. En terwijl we onderweg waren om boodschappen te doen, zette hij net voor grens de auto stil en deed mijn portier open. 'Ga maar lopen,' zei hij. 'Dan kun je maandag vertellen dat je niet alleen in Duitsland geweest bent, maar dat je zelfs he-le-maal naar Duitsland bent gelopen.' Ik geloof niet dat ik harder kon glimmen van trots en enthousiasme.
Onlangs hopten mijn lief en ik tijdens een weekend weg in Twente zomaar even de Duitse grens over. En altijd, altijd denk ik dan aan mijn opa die me he-le-maal naar Duitsland liet lopen.

Ik dacht dat ik dood ging.
Nu is dat op zich geen vreemde gedachte als je mijn aandoening hebt. Maar de aanleiding voor de gedachte was wel nieuw.
Al wekenlang had ik last van een zeer pijnlijke beenspier met uitstralingen over mijn hele linkerbeen. Aangezien ik een huisarts heb wiens standaard reactie 'Kijk het nog maar even aan' lijkt te zijn, keek ik het alvast maar even aan voor ik een afspraak met hem maakte. Ondertussen zocht ik op het internet en ging ik volgens dokter Google dood.
Tot ik vastliep op het toilet. In een sudoku wel te verstaan. Je moet tenslotte iets op het toilet en ik verdoe die tijd graag met sudoku’s. Maar ik kwam er niet uit en liet mijn sudokuboekje wekenlang voor wat het was.
Het blijkt dat langdurig nadenken op het toilet over ingewikkelde sudoku's voor een zeer pijnlijke beenspier kan zorgen met uitstralingen door het hele been.
Nu het er naar uitziet dat ik nog wel even blijf leven zoek ik naar een nieuwe bezigheid voor op het toilet.

Terwijl ik tijdens de zonsverduistering in mijn tuin naar het veranderende licht in de lucht kijk, denk ik terug aan de eclips van 27 jaar geleden.
Ik deed evangelisatiewerk op een camping en omringd door een hele schare kinderen keek ik naar de zonsverduistering. Ik was 19 en de woorden 'zal waarschijnlijk nooit volwassen worden met deze ziekte' zorgden in die tijd vaak voor een spreekwoordelijke eclips in mijn hoofd.
Had je me toen verteld dat ik 27 jaar later opnieuw naar de lucht zou staan staren, in de tuin van een royale vrijstaande woning die ik zou delen met de man waarmee ik op dat moment al bijna 25 jaar getrouwd zou zijn, dan had ik je waarschijnlijk niet durven geloven. Ik vermoed overigens ook dat ik lichtelijk in paniek geraakt was als je me vervolgens verteld had dat die woning in Brabant zou staan én dat ik die zou delen met mijn schoonouders, maar dat terzijde.
En voor de zoveelste keer denk ik: 'Heer, mijn God, wat bent U groot!'

Nadat ik me een paar uur bar slecht heb gevoeld knap ik eindelijk weer op. De misselijkheid verdwijnt, de vermoeidheid wordt zachter, er breekt weer een straaltje zonlicht door in mijn hoofd.
Maar...het is ook bijna negen uur. Moniekjes-bedtijd.
'Dat vind ik dus stom. Ga ik me eindelijk beter voelen, moet ik naar bed,' mopper ik tegen mijn lief. 'Dan blijf je toch gewoon nog even op?' zegt mijn lief. En ik besluit dat ik dat van mezelf inderdaad nog even mag.
In mijn hoofd hoor ik mijn ouders zeggen wat ze vroeger zo vaak zeiden: 'Als je nu snel je pyjama aantrekt en je tanden poetst mag je nog even opblijven.' Ik grijns. Mijn pyjama heb ik al aan. Ik heb lang geleden al geleerd dat het verstandig is om die op slechte dagen aan het begin van de avond of zelfs eind van de middag al aan te trekken. Ik pak mijn potlood weer op om verder te gaan met mijn puzzel, maar gooi hem vervolgens snel weer neer. Mijn ouders blijken zich diep in mijn hoofd te hebben genesteld. Eerst tandenpoetsen, mag ik daarna nog even opblijven...

'Nu je je ogen dicht hebt, wil ik graag dat je me het eerste verhaal uit je jeugd vertelt wat in je opkomt.'
Het beeld dat bij me naar boven komt zorgt voor een grote grijns op mijn gezicht. Ik was een jaar of 11 en het was rolschaatsseizoen. Toen al was ik er onbewust mee bezig om met zo min mogelijk energie zoveel mogelijk voor elkaar te krijgen.
En dus had ik het briljante plan opgevat om thuis alvast mijn rolschaatsen aan te trekken en vervolgens met die rolschaatsen op de fiets te stappen. Zo spaarde ik de energie uit van het verwisselen van mijn schoenen voor rolschaatsen op het schoolplein.
Mijn moeder vond het een wat minder briljant plan, maar ik zette koppig door. Totaal onhandig natuurlijk. Uiteindelijk kostte het naar school fietsen me vele malen meer energie dan wanneer ik gewoon op school mijn schoenen had verwisseld voor mijn rolschaatsen. Uiteraard gaf ik dat pas toe aan mijn ouders toen ik volwassen was.
Als ik mijn ogen weer open doe staart mijn coach me ongelovig aan. 'Normaal gesproken komen mensen met de grootste trauma's op de proppen als ik ze deze vraag stel. En jij komt hiermee?'
Mijn jeugd was zeker niet altijd makkelijk, maar gelukkig kom ik uit zo'n warm nest dat de dierbare herinneringen overheersen. En eerlijk is eerlijk: dit verhaal vertelt veel over hoe ik als meisje was...en stiekem nog steeds ben.

Ik ben in de tuin bezig met het oogsten van de zaadjes van de juffertje-in-het-groen als me iets opvalt. De grote bloemen hebben regelmatig een bedroevend klein aantal zaadjes in hun zaaddozen zitten. Maar het zijn opvallend vaak de kleine, onooglijke bloemen die verrassend veel zaadjes blijken voort te brengen.
De analogie met het echte leven ontgaat me niet.
Hoe vaak zijn we in het leven geneigd om te kijken naar diegenen die enorm opvallen? Of naar datgene wat om onze aandacht schreeuwt?
Terwijl het opvallend vaak degenen op de achtergrond zijn die het meeste vrucht dragen. En datgene wat saai en onoogelijk lijkt in ons leven omdat het een kwestie is van 'iedere keer opnieuw' of 'stug volhouden' vaak hetgene is wat het meeste zaad voortbrengt.